Bron: Vereniging Milieudefensie afdeling Leeuwarden

EEN ONDERZOEK NAAR DE WEIDEVOGELCOMPENSATIE TEN ZUIDEN VAN DE STAD LEEUWARDEN
Wat was de aanleiding voor ons om zo’n onderzoek te doen?
Al jaren en jaren maakt onze afdeling zich druk voor behoud van weidevogelgebied, zelfs tot aan de Raad van State toe heeft onze voormalige voorzitter, Jelly van der Meer, gestreden.
Aan de zuidkant van Leeuwarden is echter desondanks zoveel kwalitatief goed broedgebied geofferd dat er nu nog slechts een laatste toevluchtsoord van is overgebleven: De Hounspolder.
In onze pogingen in ieder geval deze acht hectare te behouden liepen we stuk op de brij aan cijfers die volgens de gemeente moest bewijzen dat de Hounspolder al geofferd was in het systeem van weidevogelcompensatie.
Tegenstrijdig daaraan was dan weer dat de Hounspolder in de provinciale weidevogelnota ingetekend stond als weidevogelkansgebied en parel, een status die bescherming zou moeten bieden.
Ook haaks daarop is de overeenkomst die de gemeente met de beheerder, de Molenstichting, heeft gesloten en waarin deze vrijwilligers zich verplichten het als “fûgeltsjelân” te beheren.
Kortom, we voelden ons gedwongen om nu eens goed uit te zoeken hoe het zit met die weidevogelcompensatie. Dat hebben we geweten. Een vloed aan gegevens uit de eerste onderzoeksperiode van Van der Meer, getoetst aan de huidige beleidsopgaven en cijfers, leverde een beeld op van een systeem dat bezwijkt aan ingewikkeldheid.
Zo zijn er beheercontracten voor verschillende periodes, verschillende maatregelen -in ieder geval werkverschaffing voor de agrarisch adviseur-, subsidiepotten die gevoed worden uit EU, provincie, rijk en afkoopgeld van projectontwikkelaars en gemeenten, vervangende gebieden die vijf verschillende verstoringsfactoren kunnen hebben, vergoedingen aan de boer die afhangen van hoeveel vinkjes er aan maatregelen gezet kunnen worden in het contract.
Toch heeft met name ons bestuurslid Henk Span na intensief graafwerk dit onderzoeksrapport kunnen opstellen, waarbij we steeds teruggingen naar de hamvraag: is de Hounspolder gecompenseerd (nee). Maar tegelijkertijd drong de overkoepelende vraag: beantwoordt het systeem van weidevogelcompensatie aan zijn doel (nee), zich steeds sterker aan ons op.
Dat in onze onderzoeksfase de Algemene Rekenkamer haar conclusies over het landelijke beeld naar buiten bracht was mooi. Of eigenlijk niet mooi want onze uitkomsten komen overeen: de maatregel met het meeste effect, plas-dras, zeg maar greppels in het land met wat water erin, wordt het minst uitgevoerd.
Terwijl het kuiken in vochtige grond de meeste wormen kan pikken, en als er dan ook nog ruige mest mag liggen is de voedselbank compleet want daar komen weer hapklare insecten op af. Zo hoeft de pyk, die immers nog niet kan vliegen, niet te verhongeren.
De Hounspolder is met zijn greppellandschap en beweiding het schoolvoorbeeld. Dat dit maar acht hectare is lijkt ineens gigantisch nu uit ons onderzoek blijkt dat van het totaal aan te compenseren broedgebied er maar vijf hectare met plas-dras is geleverd.
Het onderzoek geeft aanleiding tot veel vervolgvragen, maar de duidelijk aangetoonde ernst van de situatie kan alleen maar tot de conclusie leiden dat er op het moment geen verdere aantasting van de huidige broedgebieden kan plaatsvinden. Pas op de plaats en steun de boer in de omvorming tot fûgeltsjelân.

