Foto: A. Keikes
door Ben Stegeman
Het is een bronzen medaille waar je liever niet mee op het bordes van het Oranjehotel staat. Volgens de laatste cijfers van de BDO Benchmark is Leeuwarden opgeklommen, of liever gezegd, afgegleden, naar de derde plek van financieel slechtst presterende gemeenten in Nederland. In de wandelgangen van het gemeentehuis en aan de keukentafels in Bilgaard rijst de vraag: Is het tijd om de gordijnen te sluiten en het licht uit te doen, of valt het allemaal wel mee?
Laten we eerst de kou uit de lucht halen: een gemeente is geen bakkerij op de hoek. Leeuwarden kan niet zomaar de deuren sluiten omdat de boekhouder met een rood hoofd naar de jaarcijfers staart. Als de bodem van de schatkist echt in zicht komt, klopt de ‘Artikel 12-status’ aan de deur. Dat is de financiële intensive care van Den Haag. Het Rijk vult dan de gaten, maar neemt ook de afstandsbediening over. Geen nieuwe fonteinen, geen ambitieuze culturele festivals en elke euro voor een nieuw fietspad moet eerst door een Haagse commissie worden goedgekeurd. Zover is het in de Friese hoofdstad nog niet, maar we rijden wel met een brandend reserve-lampje op de snelweg naar 2026.
Dat jaar, 2026, staat in gemeenteland bekend als het ‘Ravijnjaar’. Het is de klif waar bijna elke Nederlandse gemeente vanaf dreigt te storten omdat het Rijk de geldkraan fors dichtdraait. Voor een stad als Leeuwarden, die van nature al een kwetsbaar profiel heeft, is die klap harder. We hebben hier namelijk geen Hilversumse villawijken die de OZB-kas spekken, maar wel een relatief grote groep inwoners die afhankelijk is van zorg en sociale voorzieningen. De kosten voor jeugdzorg en de Wmo zijn in Leeuwarden geen abstracte cijfers; het zijn de molenstenen om de nek van de begroting.
Wat merkt de gemiddelde Gerben of Sjoukje hiervan? Voorlopig nog weinig, maar de “sobere en doelmatige” wind begint te waaien. Het onderhoud aan het groen wordt wat losser, de gaten in het asfalt worden pas gedicht als ze echt gevaarlijk zijn, en de lokale lasten zullen ongetwijfeld een paar procent extra stijgen. Het is de klassieke spagaat: de stad wil groeien en bruisen, maar de portemonnee dwingt tot stilzitten.
Toch is er ook een andere kant. Leeuwarden heeft de afgelopen jaren laten zien dat het met weinig geld veel kan bereiken. We zijn een stad van creatieve oplossingen. Terwijl de Randstad over de kop gaat aan prestigeprojecten, moet Leeuwarden roeien met de riemen die het heeft en die riemen zijn soms van gerecycled plastic. De derde plek op de lijst van slechtste presteerders is dan ook niet per se een brevet van onvermogen voor het stadsbestuur, maar eerder een pijnlijke reflectie van de sociaaleconomische realiteit van Noord-Nederland.
Is het erg? Ja, voor de ambitie van de stad is het een rem. Is het rampzalig? Nee. Leeuwarden staat financieel misschien in de kou, maar we hebben in Friesland wel vaker bewezen dat we prima kunnen overleven bij een paar graden onder nul. De kunst wordt nu om de tering naar de nering te zetten, zonder de ziel van de stad te verkopen. En wie weet, misschien is die derde plek net het duwtje dat Den Haag nodig heeft om te beseffen dat je vanuit een lege Friese koffer geen gouden stad kan bouwen.


