Foto: PvdA

Afgelopen weekend zat ik tijdens het congres van PRO naast Dirk Visser. In Fryslân kennen we hem als de Rode Reus van Leeuwarden. Raadslid in Leeuwarden, sociaaldemocraat in hart en nieren en iemand die meestal eerder aanvoelt wat er leeft dan menig politiek strateeg in Den Haag.
Dirk was nooit enthousiast over de fusie van PvdA en GroenLinks. Niet omdat hij tegen samenwerking was, maar omdat hij in de wijken van Leeuwarden zag hoe groot de afstand was geworden tussen progressieve politiek en een deel van de mensen die vroeger vanzelfsprekend links stemden. Te vaak hoorde hij dat links vooral bezig was met de zorgen van hoogopgeleide stedelingen, terwijl mensen in buurten, dorpen en regio’s zich steeds minder herkenden in het verhaal.
Juist daarom viel het mij op hoe geraakt hij was door de speeches van Hans Spekman en Jesse Klaver. Spekman bracht iets terug van de warmte en strijdlust die jarenlang het hart van de sociaaldemocratie vormden. Klaver schetste een beweging die opnieuw wil bouwen aan bestaanszekerheid, solidariteit en gemeenschapszin. Voor het eerst kreeg ik het gevoel dat Dirk dacht: misschien kan dit toch werken.
Maar terwijl binnen de Brabanthallen het optimisme overheerste, ging ons gesprek uiteindelijk niet over de fusie. Het ging over wat er buiten de congreszaal gebeurt. Over Fryslân. Over jongeren. Over de vraag waarom zoveel jonge mensen buiten de grote steden zich steeds minder aangesproken voelen door progressieve politiek.
Dat is volgens mij de discussie die PRO de komende jaren zal moeten voeren.
Want uiteindelijk gaat het niet om zetels alleen. Natuurlijk wil iedere politieke partij verkiezingen winnen. Maar de vraag die onder de oppervlakte speelt, is veel fundamenteler. Wat gebeurt er als een groeiende groep Nederlanders het vertrouwen verliest dat politiek nog iets voor hen kan betekenen?
In gesprekken die ik voer in Fryslân hoor ik steeds vaker dezelfde ondertoon. Jongeren die geen betaalbare woning kunnen vinden. Mensen die voorzieningen zien verdwijnen. Dorpen die het gevoel hebben dat belangrijke besluiten steeds verder weg worden genomen. Niet omdat zij per se slechter af zijn dan anderen, maar omdat zij zich steeds minder gezien voelen.
Tegelijkertijd speelt een groot deel van het publieke debat zich allang niet meer af in kranten, op televisie of in de politiek. Jongeren brengen uren per dag door op TikTok, Instagram en YouTube. Daar komen zij in aanraking met influencers die een wereldbeeld aanbieden waarin wantrouwen aantrekkelijker is dan vertrouwen, waarin boosheid meer aandacht krijgt dan nuance en waarin de sterke man vaker een held is dan de samenleving als geheel. Politieke partijen lijken zich nog onvoldoende te realiseren dat zij iedere dag concurreren met die werkelijkheid.
De invloed daarvan wordt vaak onderschat. Waar eerdere generaties hun politieke beeld vormden via kranten, televisie, school of maatschappelijke organisaties, groeit een deel van de huidige generatie op in een digitale omgeving waarin algoritmes bepalen welke boodschappen zij te zien krijgen. Jongeren in Fryslân kijken naar dezelfde filmpjes als jongeren in Londen, Berlijn of Texas. Dat verklaart mede waarom discussies over mannelijkheid, identiteit, migratie en wantrouwen richting de overheid tegenwoordig net zo goed in Heerenveen spelen als in Amsterdam.
Dat is geen probleem van Amsterdam of Den Haag. Dat is net zo goed een probleem van Heerenveen, Drachten, Emmen en Oude Pekela. Misschien is het zelfs een van de belangrijkste democratische vraagstukken van deze tijd.
Want wanneer mensen het gevoel krijgen dat zij niet meer worden gehoord, verdwijnt uiteindelijk niet alleen het vertrouwen in politieke partijen. Dan verdwijnt langzaam ook het vertrouwen dat de democratie hun belangen nog kan vertegenwoordigen. Amerikanen spreken in dat verband over fly-over country: gebieden waar economische, politieke en culturele ontwikkelingen plaatsvinden, maar waar bestuurders, opiniemakers en beleidsmakers steeds minder oog voor lijken te hebben.
Die ontwikkeling voltrekt zich ook in Nederland. Misschien minder scherp dan in de Verenigde Staten, maar wel herkenbaar. Het risico is een land dat steeds verder uiteen groeit: een succesvolle, progressieve Randstad aan de ene kant en regio’s aan de andere kant waar gevoelens van vervreemding en wantrouwen steeds sterker worden. Dat is precies de voedingsbodem waarop populisme groeit.
Daarom zal het succes van PRO uiteindelijk niet worden bepaald door een congres in Den Bosch of door goede peilingen in Amsterdam en Utrecht. De doorslaggevende vraag is of de partij erin slaagt opnieuw verbinding te maken met jongeren en gemeenschappen buiten de grote steden, in regio’s waar het vertrouwen in politiek en democratie onder druk staat. Want wanneer een groeiende groep Nederlanders zich niet meer vertegenwoordigd voelt, ontstaat er meer dan alleen electorale onvrede. Dan komt het vertrouwen onder druk te staan waarop onze democratie is gebouwd. Juist daarom is de vraag hoe Nederland de kloof tussen Randstad en regio overbrugt misschien wel belangrijker dan de vraag welke partij de volgende verkiezingen wint.
Jaap Stalenburg is Statenlid voor de PvdA Fryslân.

