Bron: De Moanne

HUUB MOUS –
In zijn nieuwjaarstoespraak van vorig jaar sprak Arno Brok over een vreemde blinde vlek in het kabinetsbeleid. Het was hem opgevallen dat woorden als ‘nagelstudio’ en ‘massagesalon’ op persconferenties over de corona-maatregelen vaker zijn gevallen dan woorden als ‘museum’ en ‘creatieve sector’. Inmiddels hebben inflatie, onzekerheid en personeelsgebrek ‘inktzwarte wolken’ boven de culturele wereld doen ontstaan. Bezuinigingen en de coronacrisis hebben de cultuursector in grote nood gebracht en de huidige energiecrisis komt daar nog eens bovenop. Dat de wolken inktzwart zijn is duidelijk, maar de vraag is hoe erg is dat?
De kaalslag in het cultureel veld die zich nu voltrekt, is niet alleen een gevolg van de recente economische ontwikkelen, maar ook van een omslag in het denken over kunst en cultuur die al lang gaande is en zich de laatste jaren vooral aan de rechterzijde van het politieke spectrum laat horen. Is de tijd van de gesubsidieerde kunst voorbij? Dat is de vraag die aan dit alles vooraf gaat. Kunst en cultuur hebben zich in de laatste decennia ontwikkeld tot een door de staat gesubsidieerde vorm van pseudo-religie die een staat van onaantastbaarheid claimde. Gesubsidieerde kunstinstellingen gedroegen zich als onbedreigde diersoorten die eeuwigdurende bescherming genieten.

