Bron: Huub Mous
Foto: Simon van der Woude
In 1964 en 1965 ben ik met mijn ouders naar Spanje op vakantie geweest. Twee keer zes weken lang, uit en thuis. Zo’n zesduizend kilometer met de Fiat 600D van mijn vader. Daarvoor werd het hele jaar door alles voor opzij gelegd, en gehamsterd natuurlijk. Mijn vader wist exact op de gram nauwkeurig hoeveel gewicht de kleine Fiat mee kon torsen zonder door zijn assen te zakken. Daarvoor sloeg hij het hele jaar door van alles in, blikjes melk, witte bonen in tomatensaus, pakjes soep, doosjes suikerklontjes, alles wat het dagelijks leefbudget tijdens de vakantie kon doen dalen. Die hele hamstervoorraad werd uiteindelijk in het autootje gepropt, onder de stoelen, achter de achterbank een achterin in de kleine laadruimte.
Bovenop zat de imperiaal met alle campingspullen. Naast mijn moeder op de kleine achterbank werden de ingeklapte kampeerstoeltjes opgestapeld, alsook het inklapbare tafeltje. Behalve de tent, de luchtbedden en de slaapzakken was er natuurlijk nog het kookstel op campinggas en de koeltas om dranken en etenswaren koel te houden. Het was een microkosmos waar alles op de centimeter zijn plaats had. De voorberieding an de vacantie was voor mijn vader bijna een militaire operatie. Alles was tot in de puntjes geregeld. Niks kon mis gaan. En niks ging ook mis.


