Foto: Simon van der Woude

door Ben Stegeman
Wij stoken geen VVV-folders: De minachting voor het paasvuur
Het is een bekend fenomeen: als iets niet in de Ring van Amsterdam gebeurt en er geen marketingplan aan ten grondslag ligt, dan bestaat het voor de Randstedelijke duider pas vanaf het moment dat de eerste VVV-folder werd gedrukt. Wetenschapsredacteur Maarten Keulemans presteerde het deze week in de Volkskrant om de paasvuurtraditie te degraderen tot een naoorlogs marketingtrucje. Volgens hem zijn die torenhoge vuren in het oosten pas in de jaren 50 en 60 door de VVV “aangezwengeld” om toeristen te lokken. Het daarvóór? Dat was slechts wat “boerengedoe met vuurtjes.”
Je moet maar durven.
Laten we de geschiedenislessen er even bij pakken die blijkbaar bij het Meertens Instituut onderin een stoffige lade zijn blijven liggen. Al in 742 na Christus maakten kerkvaders zich druk om die hardnekkige, heidense vuren. De kerk probeerde het ritueel te kerstenen, te verbieden en in te dammen, maar de boer liet zich de brandstapel niet afpakken. Waarom niet? Omdat die vuren symbool stonden voor de overwinning van het licht op de duisternis, voor de vruchtbaarheid van het land en voor de tucht van de gemeenschap. Dat is geen “gedoe”; dat is cultureel DNA dat al twaalfhonderd jaar in de grond zit gebakken.
De bewering dat we dit doen voor de “toerist” is misschien nog wel de grootste onzin. Iedereen die wel eens met de poten in de modder bij een paasvuur heeft gestaan, weet: we doen dit niet voor de dagjesmensen uit Rotterdam. Er is geen hippe merchandise, geen entreekaartje en de gemiddelde toerist uit het westen keert halverwege om zodra hij merkt dat zijn designerjas naar decennia-oude rook begint te stinken.
Een paasvuur is een logistieke nachtmerrie waar dorpsgemeenschappen maandenlang vrijwillig aan bouwen. Er is geen commercieel doel. Er is alleen de traditie, de geur van brandend snoeihout en het collectieve besef dat we dit al deden lang voordat de eerste VVV-medewerker een stempelkussen aanraakte.
Door de paasvuren weg te zetten als een modern verzinsel, pleegt Keulemans een vorm van historisch vandalisme. Het reduceert een diepgeworteld volksgebruik tot een toeristische attractie, puur omdat de wetenschap de ongeorganiseerde, heidense wortels niet in een overzichtelijk Excel-sheetje krijgt.
Beste Maarten: kom volgend jaar gerust eens kijken. Maar laat je randstedelijke arrogantie thuis, neem stevige schoenen mee en besef dat het vuur dat je ziet al brandde toen jouw voorgangers nog in de blubber van de Maasdelta stonden te soppen. Het is geen marketing. Het is wie we zijn.


